Goddelijk

Hunkerend kijkt hij uit naar zijn wekelijkse afspraak. Zijn date is er ook. Is ze niet goddelijk met haar lange gouden haren, netjes in een staart gebonden met een maagdelijk wit lint. Enkele weerbarstige krullen worden op hun plaats gehouden met de mooiste zilveren speldjes die hij ooit zag.

Zij is het die hem naar deze ijskoude ongezellige plek lokt, waar honderden beelden hem angstvallig in de gaten houden met hun lege ogen. Houten beelden, zilveren beelden, porseleinen beelden, gouden beelden, … ze staren en wie weet wat zouden ze vertellen wanneer ze konden praten.

Achter zijn mondmasker verbergt hij zijn opengepitste jeugdpuistje, of toch de meeste. Op deze vrome plek moeten alleen zij die waarlijk devoot zijn geen doek voor de mond nemen. Zij is zo gelovig, bijna heilig dat Corona haar niks kan doen. Gelukkig, zo kan hij haar perfecte gezicht helemaal zien. Haar ondeugende ogen, haar wipneusje, haar smalle lippen die zacht de gebeden meeprevelen.  

Wat die mondkaploze achter het altaar brabbelt gaat aan zijn verliefde oren voorbij. Hij heeft alleen oog voor haar. Hij ziet zichzelf met haar al staan voor het altaar. Zij in lang wit kleed, hij in strak pak.